Een fragiel systeem
Decennialang stond efficiëntie centraal in de digitalisatie van onze maatschappij. Systemen werden met elkaar verbonden en processen geoptimaliseerd, gedragen door de voordelen van een steeds verder geglobaliseerd ecosysteem.
De praktijk heeft ons de voorbije jaren echter getoond dat dit model fragiel is. Toen een containerschip het Suezkanaal blokkeerde, kwam de wereldwijde logistiek tot stilstand. Tijdens de pandemie bleek hoe afhankelijk we zijn van toelevering voor zelfs eenvoudige producten zoals mondmaskers. En recent werd duidelijk dat toegang tot AI‑modellen kan worden beperkt op basis van één enkele beslissing in de Verenigde Staten. Die gebeurtenissen maken duidelijk hoe kwetsbaar deze efficiëntiefocus in werkelijkheid is.
Volgens Smedts, is artificiële intelligentie daarbij geen oorzaak, maar een versneller. “AI gaat fragiliteit aantonen en blootleggen waar systemen niet goed zijn opgebouwd.”
Geen controle, maar speelruimte
De reflex om die kwetsbaarheid op te lossen door alles opnieuw zelf in handen te nemen, is begrijpelijk maar weinig realistisch. In plaats daarvan verschuift de focus naar een ander soort controle: het vermogen om te kunnen schakelen.
Smedts stelt dat overheden zowel een plan A als een plan B moeten hebben: hoe organiseer je je dienstverlening vandaag, en hoe blijft die werken als een afhankelijkheid wegvalt? De sleutel ligt in het vermogen om snel tussen beide te schakelen. “Optionaliteit is the new power”.
Diezelfde logica krijgt in de praktijk een concrete invulling. Volgens Colsoul begint dat met het uitwerken van duidelijke richtlijnen. Tegelijk mogen keuzes niet definitief zijn. Exitstrategieën maken expliciet deel uit van de afweging. Digitale soevereiniteit gaat in die benadering niet over volledige autonomie, maar over het behouden van speelruimte.
De echte kwetsbaarheid
Opvallend genoeg ligt de grootste kwetsbaarheid niet buiten de overheid, maar binnen de eigen systemen. Binnen de Belgische overheden uit zich dat op vandaag in een versnipperd landschap. “We hebben veel discussies, verschillende interpretaties en uiteenlopende implementaties,” zegt Colsoul. “Terwijl we nochtans dezelfde data gebruiken.”
Volgens Smedts is dat probleem doorheen de jaren alleen maar groter geworden. “We hebben systemen aan elkaar gekoppeld tot op een punt dat extra koppelingen geen oplossing meer zijn.”
Daarom verschuift de aandacht naar overheid als een platform: het bouwen van gedeelde fundamenten met gemeenschappelijke standaarden en architectuur, zodat systemen minder versnipperd evolueren.
Schaal vereist samenwerking
Zelfs met een betere architectuur blijft één realiteit overeind: schaal. Europa beschikt niet over de technologische schaal van de Verenigde Staten of China. Individuele overheden al helemaal niet. Voor Colsoul & Smedts is de conclusie duidelijk. Wij kunnen die schaal alleen creëren door samenwerking.
Die samenwerking krijgt vandaag al vorm op verschillende niveaus. Binnen overheden ontstaan initiatieven om oplossingen te delen, standaarden af te stemmen en expertise te bundelen. Daarnaast zien we ook samenwerkingen ontstaan met technologiepartners, waarbij kennis en infrastructuur worden gecombineerd om meer robuuste en soevereine oplossingen uit te bouwen.
Ook op Europees niveau komt die beweging op gang. Initiatieven zoals de Cloud and AI Development Act (CADA) leggen de basis voor meer schaal, onder meer via gezamenlijke investeringen en aankopen. Voor Colsoul ligt daar nu de essentie van het werk. “Die Europese initiatieven zijn er, maar nu moeten we ze analyseren en vertalen naar concrete werven,” stelt hij.
Coalition of the willing
Hoe die samenwerking tot stand komt, volgt niet het klassiek politieke top-down model. Grote, centrale trajecten zijn vaak traag en leiden tot compromissen die moeilijk te vertalen zijn naar de praktijk. In werkelijkheid ontstaat vooruitgang eerder via kleinere groepen die bereid zijn om te bewegen.
Zowel in Vlaanderen als op federaal niveau zien we hoe organisaties samenwerken rond concrete noden: standaarden worden gedeeld, oplossingen hergebruikt en expertise opgebouwd.
Dat model wordt vaak omschreven als een “coalition of the willing”: een groep van organisaties die samen vooruit wil, zonder te wachten op volledige consensus. Die aanpak creëert dynamiek. Niet iedereen hoeft tegelijk te volgen, maar wie wil, kan instappen wanneer hij er klaar voor is.
Colsoul ziet de Federal Taskforce Cloud als een concreet voorbeeld daarvan. “De taskforce is ontstaan vanuit organisaties die met dezelfde uitdagingen geconfronteerd werden en bereid waren om samen naar oplossingen te zoeken. We hebben eerst gewerkt aan gemeenschappelijke richtlijnen en een gedeelde strategie, om vervolgens samenwerking en hergebruik te stimuleren.”
Een gedeelde verantwoordelijkheid
De gesprekken tijdens de roundtable maken duidelijk dat digitale soevereiniteit geen individueel project is. Geen enkele overheid heeft de schaal, noch de middelen om die uitdaging alleen aan te gaan. Tegelijk is volledige afhankelijkheid geen optie.
De oplossing ligt daarom niet in het streven naar volledige autonomie, maar in het organiseren van samenwerking tussen overheden onderling en met technologiepartners. Controle ontstaat niet door alles zelf te doen, maar door samen keuzes te organiseren en schaal op te bouwen in het belang van elke burger.
Zowel op Vlaams als federaal niveau groeit het besef dat samenwerking noodzakelijk is en dat de bereidheid om samen te werken er ook daadwerkelijk is. De uitdaging zit vandaag niet in een gebrek aan ambitie, maar in het organiseren van samenwerking in de praktijk. Een complex politiek en beleidsmatig landschap, gecombineerd met juridische drempels, maakt het moeilijk om met de snelheid van de technologische evolutie mee te bewegen.